



Proloog
Ik draai voor de laatste keer de sleutel in het slot. Het voelt vreemd, alsof ik nu al heimwee heb. Het waren ook een paar gekke weken. Roos, ons nichtje, vriendin, maatje... Ze zou met ons meegaan op deze tocht, maar helaas dacht de kanker daar anders over. 31 jaar, onbeschrijflijk wat dit met je doet.
Sinds haar overlijden, pas twee weken geleden, is ons huis een komen en gaan van familieleden en vrienden. Spontaan komen ze langs, om ons nog even te zien voor we weggaan, maar ook om het verlies te delen. Voornamelijk zijn het neven en nichten van ongeveer dezelfde leeftijd als Roos. We zien het aan hun gezichten: het komt hard binnen. Het besef dat niet alleen oudere mensen dit treft, maar dat kanker ook hen ieder moment kan vellen. Het is alsof ze ineens sneller volwassen worden.
Ik doe een paar stappen naar achteren en kijk nog eens goed naar ons huis. Dag lieve blokhut, tot over een half jaar. Mijn hand gaat langzaam over de balken van de veranda, alsof ik ze wil strelen. Ik wil eigenlijk niet weg, maar toch ook weer wel. Ik voel me verscheurd vanbinnen.
Alsof ik moet kiezen tussen avontuur en familie en vrienden.
Ik draai me om en zie bij de oprit André praten met zijn vriend Chrétien, die ons straks naar het treinstation brengt. Ik wandel wat hun richting op. Een aantal groene kikkers springen vanaf de kant de vijver in. Eentje blijft in het eendenkroos naar me kijken. Hij kwaakt. Zou hij boos zijn of mij gedag zeggen?
Mijn ogen dwalen af naar de mooie waterlelies en de gele lissen. Ik zie daar nog een paar kikkers zitten. Geduldig staren ze voor zich uit naar het water. Wat zou er in hen omgaan? Misschien mediteren ze wel. Geen idee. Wie zal het zeggen? Zelfs een kikkerexpert weet niet wat er in een kikkerbrein omgaat. Een van hen slaakt een kreun, een soort mislukte kwaak. Hmmm… zouden ze weten dat we weggaan? Ik draai me om en loop voorzichtig verder. “Dag, lieve kikkers. Tot over een half jaar,” roep ik naar ze toe. Toch voelt het vreemd, alsof ik hol ben vanbinnen. Kom, Lian, haal adem. Zet je eroverheen! Je gaat weer iets supermoois doen!
De stem in mijn hoofd spoort mij aan om door te lopen, maar mijn gevoel vertraagt me. Tranen wellen op in mijn ogen. Ik zal ze missen: mijn familie, vrienden en mijn kikkers.
Bij de auto haal ik mijn rugzak van mijn schouders en leg hem in de kofferbak. Het geplastificeerde fotootje van Roos, dat achter op mijn rugzak hangt, draait zich om. Ze kijkt me strak en lachend aan. Daar staat ze: fier, trots en vol zelfvertrouwen. Onze kleine bergsporter.
Ik pak het fotootje vast en draai het om. Op de achterkant staat haar motto: “Vier het leven!”
Ik moet grinniken en denk bij mezelf:
“Dat gaan we zeker doen, Roos. En jij, jij wandelt met ons mee!”

Een hoofdstuk uit deel 1: Noodzakelijke behoeften
André lacht breeduit en verklaart me voor gek. We wandelen nog maar een paar dagen langs de kust, er zit nog amper stof op ons, en ik heb nu al een vreselijke behoefte aan iets lekkers.
Zoals een Applefanaat, die midden in de nacht voor een Apple Store met zijn slaapzak in de rij wacht voor zijn nieuwe iPhone-junkiefix, zo voel ik de drang naar goede koffie. Want in de VS kom je die zelden tegen. Meestal is het slap, waterig en heeft het veel te lang op een warmhoudplaatje gestaan. In Seattle, Portland of San Francisco vind je wel hippe tentjes waar je op een zonnig terras kunt genieten van een cappuccino of verse muntthee, maar langs een trail is het andere koek. Dit moment moet ik pakken!
Met mijn rugzak op sta ik in een rij bij een soort McDrive, maar dan voor koffie. Voor me staan drie grote pick-ups en achter me nog een paar. De bestuurders zitten lui in hun stoelen terwijl dikke zwarte rookwolken uit de uitlaten kringelen. De rook vult mijn neus. Niet bepaald gezond - maar het kan me niet schelen. Ik heb er zin in!
De voorste wagen ontvangt een aantal grote koffiebekers en rijdt weg. Nog even, en dan is het mijn beurt. Mijn blik valt op een gigantische chocolate chip cookie op de vensterbank bij het raam. Hij is bijna zo groot als mijn hoofd en dik als een stoeptegel. Er liggen er nog drie. “Hopelijk neemt die auto voor me ze niet allemaal mee!” schiet er door mijn hoofd. Snel kijk ik door het achterraam: één chauffeur, gelukkig. Die lust vast geen drie koekjes.
Op de gevel van het gebouwtje staat in grote sierlijke letters ‘Jasmin Espresso’, met daaronder een lange menukaart: espresso, latte, mocha, cappuccino, white mocha… Zal ik een cappuccino met karamel nemen? Of met amandel? Misschien toch een witte mocha? Zoveel keuze!
“Waarmee kan ik u helpen?” vraagt een jonge vrouw vanuit het kleine hokje. Ze ziet eruit om door een ringetje te halen: slank, mooi opgemaakt, en met lang bruin haar dat bijna tot haar middel valt. Waarom kan mijn haar nooit zo lang worden zonder dode punten?
“Allereerst deze drie mega-cookies,” begin ik. “Eén voor vandaag, één voor morgen, en misschien wil André er ook wel een.” Ze moet lachen. “En een cappuccino grande graag, met karamel.”
“Een enkele of een dubbele shot espresso?” vraagt ze. Yes! Ze snapt het. “Dubbel graag. En voor mijn man een latte macchiato, twee shots, ook met karamel.”
André staat verderop nog steeds te filmen en grijnst breeduit, achter me is de rij inmiddels uitgegroeid tot een ware file. Ik steek lachend een duim naar hem op. De koffie wordt gemalen, de melk wordt opgeschuimd, en niet veel later krijg ik twee dampende bekers aangereikt.
“Verder nog iets?” vraagt ze vriendelijk. Ik kijk even naar wat er nog meer op de vensterbank ligt, maar houd me in. “Nee, dank u. Een goede cappuccino en zo’n gigantische chocolate chip cookie is voor mij, als CookieMonster - de trail-naam die ik op de Pacific Crest Trail kreeg - meer dan genoeg.
Ze lacht en rekent af.
“Dat is dan $16,75.” Wow, meer dan ik had gedacht, maar ach, waarom niet? Ik rond het af naar 20 dollar, want ik heb begrepen dat in de VS, mensen in dit soort baantjes geen salaris krijgen en alleen moeten leven van fooien.
Ik loop richting André, ga daar zitten, neem een hap van het mega-cookie en geniet intens. En met deze hoeveelheid calorieën kan ik er weer zeker een uur tegenaan!
Noodzakelijke behoeften. Als er iets is dat een langeafstandwandeling naar boven brengt, dan is het dat wel. Dingen die je thuis vanzelfsprekend vindt, krijgen hier een heel andere waarde. Zoals een douche.
Een paar dagen na mijn koffiemoment wandelen we vroeg in de ochtend een klein jachthaventje binnen. Kleine zeilbootjes liggen er aan verschillende steigers en het zachte getingel van hun touwen - die in de wind tegen de masten aan tikken - is duidelijk hoorbaar.
Het is hier mooi. Het haventje ligt aan een smal fjord genaamd Deception Pass. Steile wanden rijzen loodrecht uit het blauwe water omhoog. Hier en daar houden kleine boompjes zich krampachtig vast aan een richel, om maar niet naar beneden te vallen. Met vloed perst de oceaan zich door een nauwe opening het fjord in, om er met eb, met grote draaikolken, weer uit te gaan. Het is indrukwekkend om te zien.
“He!” zegt André plotseling. “Bij jachthavens zijn vaak douches voor schippers en vissers. Misschien is dat hier ook zo. Dan kunnen we onszelf en onze kleren een goede schrobbeurt geven.” Die gedachte alleen al laat me opleven. “Een uitstekend idee!” antwoord ik vrolijk. “Bij mij voelt alles klef,” vervolgt hij, “laten we hopen dat er warm water is. Mijn kleren schuren aan alle kanten.”
Ik knik begrijpend. Bij hem zit alles strakker sinds zijn ‘prewandelingse genietmodus’. Hij heeft zich thuis goed laten gaan en dat merk je nu. Strak zittende kleren, en schurende naden. “Wat denk je van dat huisje?” Ik wijs naar een houten gebouwtje met enkele bankjes. “Als er geen douche is, kunnen we hier in ieder geval even rusten.”
We lopen eromheen en proberen wat deuren. Nee, alleen twee toiletten, waarvan er één op slot is. Ik loop wat verder totdat ik om de hoek nog een deur vind. Ik trek eraan… en bingo! “Hé, André! Hier moet je zijn! Ik heb iets gevonden!” Vol enthousiasme trek ik de deur verder open en stap de ruimte binnen. Het is best groot. Aan de ene zijde is een klein bankje tegen de muur gemonteerd, zoals je dat ook hebt in kleedkamers van zwembaden en sportscholen. Daarboven hangt een betaalautomaat, en, tegen de andere wand is een douchekop zichtbaar! Gelijk zet ik mijn rugzak op het bankje om de plek te claimen en doe de deur weer open.
“Ik geloof dat we geluk hebben, kijk eens!” Met een grote grijns laat hem de douche zien. “Wow, dat is mazzel hebben. Doet ‘ie het ook?” Vragend kijkt hij me aan. “Weet ik eigenlijk niet, laten we het proberen.” Ik draai aan de kraan. Er komt water uit, maar het is steenkoud.
“Kwartjes,” mompelt André achter me. “Vier kwartjes voor drie minuten staat op dat ding.” Hij pakt zijn portemonnee en kijkt erin. Hij zucht. “Ik heb maar twee kwartjes, en jij?” Ik weet het antwoord al, ik hoef niet te kijken. “Niets. Ik heb al mijn losse geld als tip weggegeven bij onze koffie van een paar dagen geleden. Maar ik heb buiten wat mensen rond zien wandelen, misschien kan iemand ons helpen met wisselen.”
We vragen de ene voorbijganger na de andere, maar niemand kan wisselen. Net als we op het punt staan om op te geven, parkeert er een grote witte pick-uptruck met het logo van de National Forest Service op de zijkant. Gelijk lopen we eropaf.
Ik klop op het raam. Het schuift langzaam omlaag en een gezette ranger kijkt ons met een glimlach aan. “Hoi, ben jij van de boot?” vraagt hij.
Even ben ik van de leg. Hoezo boot? Zie ik er nu echt uit als een schipper, met al dat stof? Ik herpak mezelf. “Nee, niet van een boot. Maar we vroegen ons af of u misschien kunt helpen. We willen douchen, maar hebben niet genoeg kwartjes. Kunt u misschien wisselen?” Even kijkt de ranger me verbaasd aan. Dan schudt hij nee. Zijn collega in de passagiersstoel doet hetzelfde. “Sorry, maar we hebben geen kleingeld bij ons.” Teleurgesteld laat ik mijn hoofd zakken, maar op het moment dat ik me wil omdraaien, zegt hij ineens: “Wacht. Volgens mij ligt er in het dashboardkastje nog een dollar aan kwartjes. Het is niet veel, maar het is iets.” Mijn ogen lichten op. “Dat zou geweldig zijn!”
Hij pakt de muntjes en overhandigt ze. Ik geef hem mijn vijf-dollarbiljet. Vragend kijkt hij me aan, waarop ik antwoord: “Het spijt me, maar kleiner heb ik niet. Weet u wat, houdt u de rest maar. Koop er een lekkere koffie van of iets anders. U heeft ons tenslotte geholpen.” Hij kijkt ernaar en schudt resoluut zijn hoofd. “Wij zijn park rangers, mevrouw, wij mogen geen geld aannemen.”
Rustig kijkt hij me aan en geeft het biljet terug. Een diepe zucht komt over mijn lippen en mijn schouders zakken. Ik pak het biljet aan, haal de kwartjes weer uit mijn broekzak en steek mijn hand naar hem uit. Hij lijkt ze te pakken, maar dan vouwt hij mijn hand dicht. Met pretoogjes kijkt hij me aan.
“Hou de kwartjes maar. Volgens mij wil je echt heel graag douchen, of niet?”
Weer ben ik even van de leg, maar al snel kijken mijn pretoogjes naar hem terug. Wat een vent. Geweldig! We bedanken hem uitbundig en lopen terug naar de douche. Zes kwartjes. Net genoeg voor vier minuten doucheplezier voor twee mensen én een hele was.
“We doen het zo,” zeg ik terwijl André wiebelend op één been zijn broek probeert uit te trekken. “Eerst alles inzepen onder de koude douche. Daarna spoelen we om de beurt af en wassen we de kleren. Efficiënt plan, toch?” Lachend schudt hij zijn hoofd. “Ik heb geen keus hè?”
Nee, dat heeft hij niet en zogezegd, zo gedaan. In ons nakie schrobben we onder de ijskoude straal onszelf en al onze kleren. Wanneer de kwartjes erin gaan voelt het warme water als pure luxe. Thuis is dat heel normaal, maar nu, nu is het goddelijk en ik geniet werkelijk van elke seconde.
We hebben de kleren rondom ons op de grond gelegd, en met onze voeten stampen we ze nog eens extra schoon. Precies op tijd spoelen we onszelf af en wringen het laatste sop uit de kleren.
Al onze kleding is nat, tot de laatste onderbroek aan toe. Naakt stappen we in onze regenkleding - om toch maar iets aan te hebben - en lopen zo naar buiten. Het contrast is hilarisch. De zon schijnt volop, de lucht is strakblauw, en wij zien eruit als twee verzopen katten in regenpakken.
Ondertussen is er een groep toeristen aangekomen, en terwijl wij de natte kleding over een houten hek draperen, staren ze ons in hun designerpoloshirts en zomerse broeken als schapen aan.
Er staat een warme bries en het is perfect droogweer. We spannen een touw om ook de tent en de slaapzakken te laten luchten. Omringd door onze uitdragerij gaan we daarna lekker in de zon, met blote voeten en frisgewassen haren, languit in het gras liggen. Zalig!
Ik ben benieuwd hoe het later tijdens de trail zal gaan. Immers, we zijn eigenlijk nog maar net op weg, en we hebben nu al die behoeften. Stel we kunnen verder gaan met deze trail, dan hebben we straks weken zonder ook maar iets. Het is daar vaak pure wildernis. Ik grinnik en strek me lui uit. Dat zien we dan wel weer. Nu even lekker genieten.
Een uur later komt de groep terug. De ranger grijnst breed als hij ons ziet. “Ik zie dat het gelukt is?” Ik knik.
“Zeker! Dankzij jou,” antwoord ik, en maak een wijds gebaar naar de schone kleren. Hij lacht en gaat weer verder.
Na het opruimen van onze spullen wandelen we richting de indrukwekkende stalen boogbrug van Deception Pass. Eenmaal bovenop zien we links de uitgestrekte oceaan met kleine eilanden en witte stranden. Rechts is het smalle fjord en onder ons zien we het kolkende water beneden. Het is weer eb aan het worden en boten worden als speelgoed heen en weer geslingerd.
André glimlacht. “Wat een heerlijke ochtend,” zegt hij zacht.
“Ja,” antwoord ik, terwijl ik mijn rugzak wat strakker trek.
“Dit soort dagen vergeet je nooit meer.”

Een hoofdstuk uit deel 3: Verschrikkelijke Lions Head
Dag 35, zes uur ’s ochtends. Het is zover. Lian is nog bezig met haar spullen, maar ik ben verder klaar en stap de tent uit. We staan op ruim 2000 meter bij Balls Lake, een toepasselijke naam, want je hebt ballen nodig om nu door te gaan. Voor ons ligt het traject met de Lions Head Creek: tien kilometer woestenij waar we ons met kaart, kompas en gps doorheen moeten slaan. Iedereen waarschuwde ons al dat dit traject een volle dag zal gaan kosten.
Hier verdwalen betekent spoorloos verdwijnen in de wildernis.
Ik zucht zachtjes terwijl ik over het meer kijk. Erg vriendelijk ziet het er niet uit. Alles is in een natte, grauwgrijze, donkere mist gehuld. Langzaam voel ik de spanning in mijn onderbuik opbouwen. Vreemd eigenlijk. Dit is niet mijn eerste uitdagende tocht, en normaal vertrouw ik blind op onze kennis en ervaring. Maar iets voelt anders. Misschien was het de storm van gisteravond, toen de tent bijna wegvloog. Of misschien zijn het de zenuwslopende verhalen van andere hikers die nu in mijn hoofd blijven rondspoken. Hoe dan ook, hier wachten tot het misschien opklaart is ook geen optie. We zijn midden in de Salmo Priest-wildernis en hebben al ruim de helft van ons voedsel op. We hebben geen keus, we moeten verder.
We ruimen de tent op en Lian komt naast me staan. Haar gezicht is kalm, en dat stelt me enigszins gerust.
“En? Weet je al waar we heen moeten?” vraagt ze.
Ik hou het kompas voor me en wijs naar het beekje beneden.
“Daar. Als die beek straks een bocht naar het oosten maakt, moeten we de helling opklimmen.” Ze knikt, zet haar rugzak stevig vast en begint zonder aarzelen te lopen. Maar nog geen paar honderd meter verder...
“Aaaah! Rot tak!” Lians kreet snijdt dwars door de stilte. Met een pijnlijke grimas leunt ze zwaar op haar stokken. Haar gezicht vertrekt van de pijn en haar ademhaling is gejaagd. “Dit is echt niet om te doen!” roept ze fel. Zo snel als ik kan schiet ik naar voren. “Wat is er?!” bezorgd kijk ik haar aan.
Ze zwaait haar linkervoet lichtjes heen en weer, om te checken of er iets ernstig mis is, en strompelt dan zonder iets te zeggen naar het beekje. Met schoenen en al gaat ze in het ijskoude water staan. “Wat dóé je nou?” roep ik verbaasd, mijn stem harder dan ik bedoelde. “Koelen,” snauwt ze terug. “Ik kan er nog wel op staan, maar we hebben nog een hele weg te gaan. Bovendien worden mijn schoenen toch zeiknat van al die natte struiken.”
Ze haalt diep adem, kijkt strak van de inspanning omhoog en begint te wijzen naar de helling vol ronde grijze granieten keien.
“Het is een chaos hier. Ik wil omhoog!”
Even kijk ik snel om me heen. Ze heeft wel een punt. We lopen nu een directe koers naar markeringen die we op de kaart hebben aangebracht, maar om ons heen is het een hindernisparcours. Overal zijn omgevallen bomen, struiken waar je achter blijft hangen en natte takken die als struikeldraden je voeten vast proberen te grijpen.
“We kunnen het proberen,” antwoord ik. Helemaal zeker ben ik niet en krab onbewust wat aan mijn beginnende baardje. Het plan was om verderop bij de bocht in de beek langzaam omhoog te klimmen. Daar is de hellingshoek beter. Maar hier nu loodrecht omhoogklauteren...
Na een minuut of tien koelen probeert ze weer op haar voet te staan. “Gelukkig heb ik voor boots gekozen,” mompelt ze meer in zichzelf dan tegen mij. Ze zet wat meer druk op de voet en knikt tevreden. “Kom, ik krijg het koud, we gaan verder.” Haar ogen knijpen zich samen bij de eerste stappen die ze neemt. Gemoedelijk sla ik een arm om haar heen, maar die slaat ze af. Vastberaden kijkt ze omhoog. Ze weet waar ze heen wil en rustig volg ik haar.
De beklimming is loodzwaar. Sommige keien, zo groot als auto’s, blokkeren ons pad en dwingen ons steeds weer om een nieuwe route te zoeken. Na flink wat geklauter bereiken we eindelijk de graad. Tussen de vele dennen zie ik hier en daar open plekken. Hier kunnen we tenminste een beetje zien waar we heen moeten. Gelukkig. Dit voelt goed. Volgens de kaart is de pas nog maar een kilometer verder, en vlak voordat een steile top begint, moeten we op een kleine pas een loodrechte afdaling inzetten.
Het wandelen op de graad gaat relatief makkelijk en ondanks de mist kunnen we de weg goed vinden. Na twintig minuten staan we stil. Ik heb haar bewust even niets gevraagd, maar aan haar lopen te zien lijkt haar enkel het te houden. Ze zegt er in ieder geval niets over. Strak kijkt ze om zich heen, pakt de telefoon en opent de Gps-app.
“Dit moet het zijn, denk je ook niet?” zegt ze na een tijdje. Ik kijk op de kaart en knik instemmend. “Ja, dat kan haast niet anders. Dit is zo ongeveer de enige opening waar we nog een beetje naar beneden kunnen. En daar is de volgende top al.” Ik pak mijn kompas en draai het net zolang totdat de naald 240 graden aanwijst. Ruwweg zuidwest, daar moeten we heen volgens de kaart. Als het goed is komen we dan bij een kleine beek uit. Te veel naar rechts en dan missen we het.
Vanaf de rug kijk ik langs de steile helling naar beneden en zie niets anders dan drijfnatte manshoge struiken, die dwars door elkaar heen zijn gegroeid. Het is net alsof je een dik wilgenbos ingaat waar her en der oude verrotte boomstronken omhoog steken.
Ik hou het kompas op armlengte voor mijn gezicht en begin met mijn andere hand te wijzen. Lian snapt gelijk wat ik bedoel. “Die grijze boom daar?” vraagt ze. “Ja, die grijze met een bult erop. Dat is precies 240 graden,” antwoord ik. Gelijk draait ze zich om. Ze is merkbaar op een missie en wil vandaag zo snel mogelijk achter zich hebben. Met beide handen pakt ze een aantal takken vast en draait zich met de rug naar de diepte. “Dit is net abseilen zonder een touw!” grinnikt ze. En hoewel haar voeten tijdens het afdalen meerdere malen door de nattigheid wegschieten, bereikt ze al spoedig de boom.
Niet veel later ben ik bij haar en schiet gelijk een nieuwe 240 koers naar een ander herkenbaar object. Het gaat erg traag. Door de mist kunnen we slechts korte afstanden schieten, en deze bush is net zo erg als het gebied waar Lian haar enkel verzwikte. Maar toch, als alles meezit, komen we er op deze manier wel.
We zijn een half uur verder en de afdaling is een ware hel geworden. De mist heeft plaatsgemaakt voor ijskoude regen die genadeloos naar beneden komt. De helling wordt steeds steiler, en met elke stap voelt het terrein minder begaanbaar. We worden moe, en de steile, glibberige ondergrond maakt elke beweging risicovol.
Plotseling verlies ik mijn grip. Met mijn linkerhand probeer ik een paar takken vast te grijpen, maar ze breken onder mijn gewicht. “Wat! Nee!” roep ik hard. Wanhopig zoek ik naar houvast, maar mijn voet glijdt weg en voordat ik het besef verlies ik volledig de controle. Alles waar ik me aan vast probeer te grijpen schiet door mijn handen en takken slaan in de chaos tegen mijn gezicht. Dwars door de scherpe takken en natte struiken stort ik een meter of twintig omlaag en knal met een brute klap, hard met mijn borstkas op een steen.
Ik hoor geschreeuw, maar besef dat het uit mijn eigen mond komt. De pijn scheurt door mijn lijf, rauw en allesoverheersend. Het is alsof al mijn zenuwen tegelijk in brand staan. Ik probeer te ademen, maar mijn ribben drukken vlijmscherp naar binnen. Mijn hoofd bonkt, mijn zicht flikkert en mijn benen voelen ver weg, alsof ze ergens anders liggen. Alles draait. Denken lukt niet. Er is alleen pijn, fel en genadeloos. Ik duw me wat omhoog en,
“Aaaaah! Aaaaaaaah!! Verdomme!!! Aaaah!”
“Wat is er, wat is er?!!” roept Lian in de verte.
“Vuile rot takken!”
“Wat?! Wat is er?” De paniek is in haar stem te horen. In een sneltreinvaart komt ze op me af. Verontrust pakt ze me bij mijn schouder en probeert me om te draaien.
“Aaaaaahh! Mens! Nee!” Angstig en niet wetend wat te doen laat ze me los. Grote ogen staren me aan.
“Ik krijg geen lucht. Het doet zo zeer!” Met mijn handen probeer ik me op te duwen, maar dat gaat niet. Een enorme pijnscheut ontspringt van mijn borstkas, waardoor ik gelijk weer met mijn gezicht terug in de takken val. Plat lig ik op mijn buik op de grond. Mijn hoofd ligt zijwaarts en gedesoriënteerd kijk ik om me heen. Buiten de knieën van Lian zie ik niets anders dan takken en regen die langzaam overgaat in hagel.
“Klote bos!!!” Kwaad gooi ik het eruit. Gelijk moet ik hoesten. De pijn in mijn borst is zo hevig dat ik er duizelig van word.
Stomme gedachten die niet echt helpen schreeuwen door mijn hoofd: “Verdomme, we zijn nog maar net een paar uur onderweg en nu dit weer! Waar moet ik heen? Er is hier niets dan wildernis!! En die pijn, die verrekte pijn!”
Voorzichtig legt ze haar handen op mijn schouders.
“Wat… hoe, hoe kan ik je helpen? Ik weet niet goed wat ik moet doen?”
Zacht, bijna onschuldig en teder klinken haar hulpeloze woorden in mijn oren.
“Ik moet overeind komen. Help me daarmee,” antwoord ik kort.
Ze pakt me weer bij de schouders en probeert me nu rustiger om te draaien.
“Aaaaah! Nee mens! Dat gaat zo niet! Mijn borstkas doet gruwelijk zeer!” Gelijk laat ze me weer los. De verwarring staat in haar ogen. Met een plof val ik weer op de steen die alle pijn heeft veroorzaakt. Als een stompe punt duwt het hard in mijn ribben. Tranen springen in mijn ogen en ik snak naar adem.
Zelden heb ik zo’n pijn gevoeld.
Snel doet ze haar rugzak af en komt aan één kant van me zitten. Haar geest herpakt zich en ferm spreekt ze me toe: “Luister, ik snap dat het shit is, maar ik moet toch kunnen zien wat er aan de hand is. Ik ga je vanaf de zijkant omdraaien zodat je op je rug komt te liggen. Hier, stop deze stok in je mond en probeer met je andere arm mee te duwen.” Met haar knieën zet ze zich tegen mij schrap, reikt over mijn rug heen en pakt stevig mijn regenjas vast. “1, 2...” Ze komt nog niet bij drie en met een harde ruk draait ze me om.
Tranen mengen zich met de smeltende hagel die nu op mijn gezicht valt. Dit stuk is echt een verschrikking. Het begon nog goed. Maar hier lig ik dan, naast een rots, tussen dichte struiken en drijfnat in de kou. Mijn hoofd maakt weer overuren. Die scherpe pijn vanbinnen. Ik zal toch geen klaplong hebben of zo?! Mijn ogen worden direct groot en in een paniekerige opwelling wil ik gelijk overeind komen, maar een andere stekende pijn laat me gelijk weer vallen. Mijn gezicht vertrekt en ik wijs ernaar. Lian ziet het gelijk. Mijn rechterbeen ligt er maar raar bij; mijn enkel is vastgeraakt tussen een paar takken en de hele knie is vreemd gedraaid.
Ze ziet dat ik verdwaasd en verward om me heen kijk. Met een zachte tik op mijn gezicht haalt ze me weer in het nu.
“Hé moppie, niet wegvallen nu hè.” Haar kennende zal de spanning in haar lichaam tegen de paniekgrens aanzitten. Maar ze laat er niets van merken.
“Wacht maar, ik zal eerst je voet even losmaken.”
Zo snel als ze dat gezegd heeft, ligt mijn been weer recht en ebt de pijn daar stilletjes weg.
Ik kan maar moeilijk ademhalen. Met elke teug die ik neem is het alsof er een rib door mijn long probeert te duwen. Klote steen. Waarom moet ik daar nu net op terechtkomen?
“Waar heb je precies last?” Ik wijs naar de rechterkant van mijn borstkas.
“Ongeveer hier, een stuk onder mijn sleutelbeen. Net boven het midden.” Snel pakt ze haar paraplu van de rugzak, klapt hem uit en zet die over mijn gezicht en borst. Gelijk erachteraan doet ze mijn jas open en trekt mijn fleece en shirt omhoog. Ze valt stil en haar ogen vernauwen zich. Na een paar seconden komt ze weer in beweging. Zachtjes raken haar vingers mijn borst aan. Ik maak me klaar om de pijn te incasseren, maar verrassend genoeg blijft die uit. Tedere vingers glijden over het oppervlak.
“Ik ga af en toe zachtjes drukken, oké? Dan moet jij zeggen waar je de pijn het ergste voelt.” Vanwege de spanning neem ik onbewust een diepe teug adem. Ze drukt met haar vinger op een plek.
“Aaauw, rund!” Hoestend van de pijn komen de woorden eruit. Verschrikt trekt ze haar handen terug en kijkt me verbaasd aan.
“Wat? Wat heb ik gedaan?” Ik schud mijn hoofd. “Nee, niet jij. Ik ben een stom rund. Ik had niet moeten vallen.” Ik zucht. “Wat zie je? Steekt er wat uit?” Ze draait zich om en legt haar nu koude vingers op mijn huid.
“Nee, ik geloof het niet. Tenminste niet aan de buitenkant. Het is wel heel erg blauw. Zeker zo groot als een vuist. Hoe gaat het met ademen? Dat gaat toch wel goed? Ik bedoel, straks loopt je long nog vol met bloed.” Mijn ogen rollen in hun kassen.
“Ja lekker dan, alsof ik die gedachte er nog bij wil hebben. Even niet meer van die opmerkingen, Lian.” Vertwijfeld kijkt ze me aan.
“Nou ja, ik bedoel het goed hoor. Er komt toch geen bloed uit je longen omhoog toch?”
Ik steek een vinger in mijn mond en haal die eruit. Nee, geen bloed en rochelen doe ik ook niet. Maar dat zegt nog niets. Ik laat weer een zucht en kijk om me heen. Langzaam trekt ze mij tegen haar aan zodat ik wat kan leunen en al snel doet ze mijn kleren en jas weer goed. Ik hou de paraplu boven ons, want de hagel blijft maar naar beneden komen. De initiële shock ebt wat weg en ik probeer mijn hoofd weer koel te krijgen, maar er schiet nog van alles door me heen.
Dit is stom. Als kind vond ik het altijd fascinerend om te lezen, die verhalen van mensen die door de jungle heen gaan, zich met een groot kapmes als een Indiana Jones een weg banen, een of andere beschaving tegenkomen die nog nooit andere mensen heeft gezien, dat soort verhalen. En nu zit ik hier. Midden in de zooi. Omgevallen bomen, blubber, ijskoude hagel, en ik begin onderkoeld te raken.
Een verzwikte enkel – of erger – pijn in mijn borst en weinig lucht.
Nee, een jungletocht ga ik absoluut nooit meer doen. Dit is helemaal geen avontuurlijke romantiek. En met dit rotweer kan een reddingshelikopter ook niet komen. Shitzooi. Is dit het dan? Is dit de plek waar mijn leven gaat eindigen?
Lian is ondertussen achter mijn hoofd komen zitten en tilt me voorzichtig onder mijn schouders wat verder omhoog. Ik tegen haar aan. Ze haalt wat uit het zijvak van haar rugzak. “Hier, neem dit.” In haar hand heeft ze een paar witte pillen. De regen maakt ze nat, en ze beginnen een beetje uit elkaar te vallen. Ik doe mijn mond open en snel stopt ze haar hand ervoor. Ze vallen naar binnen. Bitter, dat zijn ze, maar we moeten verder. Snel geeft ze me de veldfles aan. De paar slokken die ik neem maken het er niet minder bitter op. Ik hoop dat die pijnstillers maar snel gaan werken.
Ze gaat staan en trekt me verder omhoog. Mijn kaken staan stijf op elkaar, maar ik sta. Met een arm om haar schouder zet ik wat kracht op mijn pijnlijke been. Het doet erg zeer, maar gelukkig lijkt het een verzwikte enkel en geen gebroken bot. En mijn knie? Ik moet er een beetje om lachen. Die doet nu voor de verandering alsof alles weer helemaal in orde is. Gelukkig, het kon nog erger. Ik heb geen idee of mijn ribben gebroken zijn. En al was er eentje gebroken, het zit waarschijnlijk niet door mijn long heen. Nee, want nu ik weer sta, kan ik een beetje normaler ademhalen en ik hoest nog steeds geen bloed op. Mijn hand gaat onbewust naar mijn borst. Ze heeft gelijk, er steekt inderdaad geen raar botpunt uit. Dus als er wat gebroken is, dan is het misschien een lengtebreuk of zo. Of misschien is er een rib van mijn borstbeen afgebroken, geen idee. Maar een geperforeerde long zal het wel niet zijn, want dan was die long nu wel langzaam volgelopen met bloed.
We spreken af dat zodra ik wel bloed op ga hoesten, we op de noodknop van onze noodzender gaan drukken. Voorlopig houden we het er maar op dat het behoorlijk gekneusd is en dat ik maar even moet doorbijten. In ieder geval is het dragen van de rugzak er niet makkelijker op geworden en we gaan traag, heel traag. En daarbij, aan gebroken ribben kun je toch weinig doen, dus kan ik maar net zo goed doorlopen. Want hier tegen die helling omhoogklimmen, dat gaat echt niet.
​